Haken: Basissteken uitgelegd

P1070302-2P1070315-2P1070328-2

Naar aanleiding van het patroon voor de gehaakte kaarsenhouder die ik een paar weken geleden plaatste, kreeg ik de vraag of ik een artikel kon maken over basishaaksteken. Bij dezen! In dit artikel leg ik de volgende steken uit: opzetlus, losse, vaste, halve vaste en stokje. In een volgend artikel (zaterdag) leg ik uit hoe je een rondje kunt haken en hoe je moet meerderen.

Voor deze uitleg heb ik HEMA breigaren Fine Cotton in de kleur rood gebruikt. Je kunt natuurlijk ook ander garen gebruiken, maar let er op dat het niet te dun is en dat het niet te pluizig is. In beide gevallen kun je minder goed zien wat je doet. Zorg ook dat je een haaknaald hebt in de juiste maat, dit staat op de wikkel van het garen. Ik heb 3 mm gebruikt. Je kunt op de foto’s klikken om ze te vergroten!

Opzetlus

1.Opzetlus

1. Houd je wijsvinger en middelvinger een stukje van elkaar. Leg de draad over deze twee vingers, ga achterlangs naar beneden, kruis voorlangs weer omhoog en ga achterlangs weer naar beneden. Je hebt nu aan de voorkant van je vingers een kruisje, en aan de achterkant twee draden naast elkaar.
2. Met je haaknaald ga je over de rechter achterste draad en pak je de linker vast.
3. Vervolgens trek je de linkerdraad tussen de andere draden door naar buiten, en haal je de draden van je vingers af.
4. Als je de draad nu strak trekt heb je een opzetlus!
5. Let op, onder de lus hangen twee draden. De draad die naar de bol gaat moet de draad zijn waarmee je de lus groter en kleiner kunt maken.

Losse haken

2.Losse

1. De losse steek vormt de basis van je haakwerkje. Je begint met een opzetlus.
2. Vervolgens sla je de draad om de haak en trek je de linker lus door de rechter lus op je haak.
3. Tadaaa, losse! Niet moeilijk toch?
4. Op deze manier ga je verder zodat je een ketting lossen hebt. Voor dit voorbeeld heb ik 10 lossen gehaakt.

Vaste

3.Vaste

1. Als je een nieuwe toer begint, start je altijd met één of meerdere keerlossen of startlossen. Deze zijn voor de hoogte van de steek, zodat de zijkant netjes blijft. We gaan nu een toer vasten haken, welke 1 losse hoog is. Je maakt dus één extra losse. Het pijltje geeft de laatste losse van de toer aan, de steek daarna is de keerlosse.
2. De eerste vaste maken we in de tweede steek vanaf de haak. Je steekt nooit in keerlosse(n), deze sla je over.
3. Voor de vaste steek je de naald in en vervolgens sla je de draad om. Je haalt de linker lus door de middelste lus.
4. Je hebt nu twee lussen op je naald.
5. Vervolgens sla je de draad weer om, en trek je de linker lus door de middelste én de rechter lus.
6. Je hebt nu nog één lus op je naald en je hebt een vaste gehaakt! De volgende vaste gaat in de volgende steek, aangegeven met het pijltje.
7. Na iedere vaste, steek je de naald in de volgende steek om een nieuwe vaste te haken.
8. Als je een rij van 10 vasten hebt gehaakt, is dit het resultaat.

Halve vaste

4.Halve vaste

1. Als je een toer gehaakt hebt, zul je merken dat je naald aan de linkerkant van je werk zit. Je zult nu moeten draaien, omdat je altijd naar links haakt. Je haakt eerst een keerlosse.
2. Vervolgens draai je je werkje om. Je houdt je naald vast en draait het werkje wat eraan zit om naar de andere kant, zodat het ‘staartje’ naar links wijst.
3. Dan steek je de naald in de eerste steek. De keerlosse sla je weer over.
4. Je slaat de draad om en deze haal je door. Tot hier is het hetzelfde als bij een vaste. Maar in plaats van opnieuw om te slaan zoals bij de vaste, trekken we nu direct de linker lus door de rechter lus.
5. Je houdt één lus op je haak over, en je hebt een halve vaste gehaakt.
6. Je steekt steeds je naald in de volgende steek om een nieuwe halve vaste te haken.
7. Als je 10 halve vasten bovenop je toer vasten hebt gehaakt, is dit het resultaat.

Stokje

5.Stokje1

1. Het stokje is een hoge steek. Voordat je een toer stokjes kunt haken, moet je drie keerlossen haken.
2. Vervolgens draai je het werkje om, zodat je naald aan de rechterkant zit en het ‘staartje’ van je werk naar links wijst.
3. Eerst sla je de draad om de naald.
4. Vervolgens steek je de naald in de eerste steek (sla de keerlossen over!)
5. Dan sla je de draad nogmaals om, en trek je de meest linkse lus door de lus daarnaast.
6. Je hebt nu drie lussen op je naald.

5.Stokje2

7. Sla de draad nogmaals om de naald en trek de eerste lus door de twee lussen daarnaast.
8. Je hebt nu twee lussen op je naald.
9. Sla nogmaals om en trek de linker lus door de andere twee lussen.
10. Je hebt nu nog één lus op je naald en je hebt een stokje gehaakt. Nog even samengevat: Omslaan (2), insteken (3), omslaan (4), door één halen (3), omslaan (4), door twee halen (2), omslaan (3), door twee halen (1). Het getal tussen haakjes staat voor de lusjes om je naald.
11. Iedere volgend stokje haak je weer in de volgende steek.
12. Als je een toer van 10 stokjes gehaakt hebt, is dit het resultaat.

Neem je tijd om te oefenen en vergeet niet op de foto’s te klikken om ze te vergroten! Zaterdag komt het volgende artikel online waarin ik uitleg hoe je een rondje kunt haken. Dan heb je alle uitleg gehad om te starten met het patroon voor de kaarsenhouder!

Heb je vragen? Stel ze in de comments!

~Marieke

 

Dit artikel is geschreven voor HEMA Blog Academy. Lees mijn disclaimer en bezoek de HEMA Blog!

Advertenties

Een gedachte over “Haken: Basissteken uitgelegd

  1. Pingback: Haken: Rondje haken uitgelegd |

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s